Onderzoeksmethodiek m.b.t. de Nederlandse Labrador populatie

Inleiding
Geen enkele serieuze hobbymatige labradorfokker zal betwisten dat goede gezondheidseisen van belang zijn voor het fokken met labrador retrievers. Ook wordt er niet getwijfeld aan het belang van het welzijn van de labradors waarmee wordt gefokt.  
Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de regeldrang zover gaat dat men de fokkers hun eigen verantwoordelijkheid wil afnemen, wanneer men de fokkers beschouwt als mensen die ondanks hun jarenlange ervaring te weinig inzicht hebben in de Nederlandse labradorpopulatie, wanneer het bestuur van de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV), zelf zonder enige kennis en ervaring op het gebied van de fokkerij met labradors, koste wat het kost zijn gelijk probeert te krijgen met behulp van “deskundige” en “wetenschappelijke” inzichten van mensen als Ir. Ed Gubbels, die zich jarenlang heeft beziggehouden met uitermate controversiële experimenten met beagles. Zie mijn artikel De Harlan Connectie. Met uiterst controversiële methoden, die met wetenschappelijk onderzoek niets te maken hebben, tracht de NLV aan te tonen dat een dekbeperking noodzakelijk is.   

Onderzoeksmethodiek m.b.t. de Nederlandse Labrador populatie
Wanneer je een verkennend onderzoek (survey) wilt verrichten naar de algemene gezondheid en verwantschap van labradors in Nederland, om globaal een beeld te krijgen van de situatie, kun je zoals Gubbels volstaan met twee enquêtes, zelfs wanneer slechts een gering aantal leden van de rasverenigingen aan de enquêtes hebben meegewerkt. Een heel ander verhaal wordt het echter wanneer de “conclusies” van deze enquêtes worden gebruikt ter rechtvaardiging van een dekbeperking van reuen.

Subpopulaties
De Nederlandse labrador populatie, d.w.z. de populatie van labradors met een stamboom, kan worden onderverdeeld in een aantal subpopulaties. Enerzijds is er de populatie die niet is gefokt volgens de regels van de rasverenigingen, anderzijds kennen we de populatie die wel volgens de regels van de rasverenigingen is gefokt. Die labradorpopulatie kunnen we vervolgens onderverdelen in de zgn. “showlijnen” en de veel kleinere subpopulatie “werklijnen”.

De grootste overeenkomst tussen de verschillende labrador populaties is dat alle individuen een stamboom hebben. Dat is een groot probleem, want in wetenschappelijke (en andere) onderzoeken wordt doorgaans geen onderscheid gemaakt tussen de twee populaties. Wanneer er dus zorgwekkende conclusies uit dergelijke onderzoeken worden getrokken, worden die conclusies vaak ten onrechte betrokken op beide populaties.

De regels van de rasverenigingen van de Labrador Retriever hebben geen directe invloed op de labrador populatie van mensen die geen lid zijn van die rasverenigingen. Wanneer de rasverenigingen dus willen overgaan tot het instellen van ingrijpende regels die ver-strekkende gevolgen hebben voor de populatie zoals die binnen de rasverenigingen wordt gefokt, zal men eerst de noodzaak van die regels moeten aantonen. En dan volstaat het niet wanneer men de “conclusies” van een verkennend onderzoekje onder de “totale” populatie – waarin slechts een klein deel van de binnen de rasverenigingen gefokte labradors werd betrokken – als uitgangspunt neemt.

Dus wanneer de NLV ingrijpende regels als een dekbeperking wil invoeren, zal de NLV een serieus en allesomvattend onderzoek dienen te verrichten naar de gezondheid en de verwantschap van de afgebakende populatie van labradors zoals die binnen de NLV zijn gefokt.  Wil je zorgvuldig te werk gaan, dan dien je je bij het invoeren van regels het volgende af te vragen:

1. In welke subpopulatie is er sprake van dusdanige problemen dat aanvullende regelgeving noodzakelijk is?
2. Op welke subpopulatie zijn de regels van toepassing?
3. Kunnen wij die regels implementeren?
4. Zorgen die regels ervoor dat bovengenoemde problemen op termijn tot het verleden behoren?

Om antwoord te kunnen geven op die vragen dien je dus onderzoek te verrichten naar de problemen in de afgebakende subpopulatie. Immers, wanneer weggebruikers structureel de maximum snelheid van 130 km per uur overschrijden, heeft het geen zin om wielrijders te verplichten een snelheidsbeperkend mechanisme op hun fiets te monteren. 

Het feitelijk onderzoek
Binnen de database van de Raad van Beheer kan eenvoudig een schifting worden aangebracht tussen de labradors die wél en de labradors die niet zijn gefokt binnen de rasverenigingen, namelijk door alle labradors waarvoor bij de aanvraag van stambomen een “bijdrage niet-lid rasvereniging” is betaald van het onderzoek uit te sluiten, dan wel als schaduwpopulatie te gebruiken.

De resterende subpopulatie is het doel van het onderzoek. Wanneer men echt zorgvuldig te werk wil gaan betrekt men bij deze subpopulatie ook de honden die wel volgens de regels van de rasverenigingen zijn gefokt, maar waarvan de eigenaren geen lid van een rasvereniging zijn. Dit is te controleren door middel van de uitslagen van gezondheidsonderzoeken.

Nu de onderzoekspopulatie is bepaald, kan het feitelijke onderzoek beginnen. Om antwoord te geven op de vraag of er sprake is van de noodzaak om tot een dekbeperking over te gaan, dient eerst de inteeltcoëfficiënt (verwantschapscoëfficiënt) te worden vastgesteld. Is die coëfficiënt hoger dan in het verleden? Is die coëfficiënt aantoonbaar in verband te brengen met verschijnselen als inteeltdepressie en algemene gezondheidsproblemen?

Om het onderzoek volledig te maken kan dezelfde onderzoeksmethode worden gebruikt bij de subpopulatie die niet is gefokt volgens de regels van de rasverenigingen, ten einde de onderzoeksresultaten van beide subpopulaties met elkaar te kunnen vergelijken. Last but not least dient er zorgvuldig onderzoek te worden verricht naar de gevolgen van een dekbeperking, met name op langere termijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat eigenaren van fokteven vrij zijn om de dekreu van hun keuze te gebruiken, en dat zij niet snel geneigd zullen zijn om de reu van de buurman te gebruiken omdat de NLV dat zo graag wil, maar ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat zij met hun pups zullen blijven zitten wanneer zij dat doen.       
 
De gevolgen van een dekbeperking bij reuen 
We kennen een verschijnsel dat door mij “de economie van de hobby” wordt genoemd. Het principe van deze economie is dat de hobbyist iets produceert en dat de hij met de opbrengst van deze productie gedeeltelijk zijn hobby bekostigt. In relatie tot de hobbyfokkerij van labradors in Nederland kunnen wij gerust stellen dat de mensen die zich op deze manier met hun hobby bezighouden ervoor verantwoordelijk zijn dat het niveau en de kwaliteit van de Nederlandse labradors zo hoog is.  
De economie van de hobby wijkt in principe niet af van de cirkel van andere economieën. Je investeert, je laat je product zien, je produceert, en met de opbrengst investeer je weer. 
De Nederlandse kynologie is in de loop der jaren uitgegroeid tot een “big business”, die met name de Raad van Beheer en de kynologische verenigingen geen windeieren heeft gelegd. Het bezoeken van shows kost veel geld, net als de stamboomcertificaten, het chippen en de gezondheidsonderzoeken. Deze kosten worden weerspiegeld in de prijs van een pup. De economie van de hobby is derhalve een volkomen geaccepteerd verschijnsel geworden. 
 
Wil je je als serieuze hobbyfokker onderscheiden van de middenmoot, wil je de kwaliteit van de labradors in Nederland verbeteren, wil je de genenpool van de labradorpopulatie in Nederland verbreden, dan dien je over superieur fokmateriaal te beschikken, en dien je dat superieur fokmateriaal nationaal en internationaal te showen. En daar hangt een kostenplaatje aan.  
Wij willen graag dat mensen uitermate zorgvuldig zijn bij de aanschaf van een rashond. Daar wijzen wij telkens weer op en het gevolg daarvan is dat potientiële kopers van een labradorpup steeds selectiever worden bij de aanschaf van zo’n pup. Ondanks het feit dat 99% van de pups uit de fokkerij verdwijnen omdat zij slechts als huishond worden gehouden, willen mensen in toenemende mate een pup van kampioensafstamming. We hebben hier te maken met het economische verschijnsel “vraag en aanbod”; niet onbelangrijk voor de economie van de hobby.  
 
Nu is het nog zo dat het voor een topfokker interessant is om een topreu uit het buitenland te halen. De topreu dekt een aantal teven, waarvoor de dekreu-eigenaar een bepaald bedrag krijgt, de teven krijgen pups, de pups worden verkocht (met 99% van de pups wordt vervolgens niet gefokt), en iedereen is er gelukkig mee.  
Maar met een dekbeperking is de aanschaf van superieur fokmateriaal niet langer rendabel, tenzij de prijs van een dekking (en daarmee de prijs van een pup) gigantisch wordt verhoogd. En daarmee komen we bij het economische begrip “risico”. Een drastische verhoging van de prijs van een dekking en de prijs van een superieure pup verstoort de balans tussen vraag en aanbod. De vraag zal verminderen of verdwijnen, en daarmee – op lange of kortere termijn – het aanbod. We hoeven er geen twijfel over te laten bestaan dat dit verschijnsel tot gevolg heeft dat de kwaliteit van de Nederlandse labradorpups die worden aangeboden door de serieuze hobbyfokkers die lid zijn van de labradorverenigingen aanzienlijk zal verminderen. Bovendien zal een toenemend aantal serieuze hobbyfokkers, die zoveel voor de Nederlandse labradorpopulatie hebben betekend, de lier aan de wilgen hangen ten gevolge van de bovenmatige inmenging en de bevoogding van de labradorverenigingen in hun hobby. Een ander gevolg zal zijn dat bepaalde fokkers zich aan het zicht van de labradorverenigingen zullen onttrekken om buiten de invloedsfeer van deze verenigingen (en wellicht binnen de invloedsfeer van de Raad van Beheer) door te gaan met fokken.  
Om een lang verhaal kort te maken: de regeldrang van de labradorverenigingen zal op korte en langere termijn NIET tot gevolg hebben dat genenpool van de Nederlandse labradorpopulatie wordt verbreed (er komt immers geen superieur materiaal uit binnen- en buitenland meer binnen), en deze regeldrang zal WEL tot gevolg hebben dat de kwaliteit van de Nederlandse labradorpopulatie er sterk op achteruit gaat. Bovendien ontstaat er een extra probleem voor de rasverenigingen, want hoe lang kunnen zij in dat geval nog waar maken dat de pups van hun leden kwalitatief beter zijn dan de pups van de serieuze hobbyfokker die zich buiten de vereniging om aan alle regels houdt, behalve aan de regel van de dekbeperking, dus nog steeds in staat is om superieur fokmateriaal aan te schaffen en superieur nageslacht te produceren, in tegenstelling tot zijn collega’s in de bevoogdende rasvereniging?

Het meest belangrijke argument tegen dekbeperking is echter de diversiteit van de genenpool. Zonder een dekbeperking kunnen eigenaren van fokteven, ook zij die slechts eenmalig een nestje fokken, gebruik maken van hooggekwalificeerde geïmporteerde dekreuen die zich (qua gezondheid en uiterlijk van hun nageslacht) hebben bewezen. Bij het importeren van dekreuen snijdt het mes aan twee kanten: enerzijds zijn zij niet meer in staat om in het land van herkomst voor nageslacht te zorgen, hetgeen de diversiteit van de genenpool in het land van herkomst positief beïnvloedt, anderzijds wordt de diversiteit van de genenpool in het importerende land positief beïnvloed vanwege de geringe verwantschap met de lokale labradorpopulatie. Wanneer een dekbeperking de eigenaren van fokteven beperkt in hun mogelijkheden om gebruik te maken van deze geïmporteerde dekreuen, blijven zij aangewezen op de lokale labradorpopulatie, hetgeen de diversiteit van de lokale populatie in negatieve zin beïnvloedt. Zo’n dekbeperking zal ook leiden tot vermindering van de import van buitenlandse dekreuen.

Jaap van der Wijk,
januari 2012

Posted in Uncategorized | 1 Comment

Elke rasvereniging heeft een Fokadviescommissie (FAC) nodig

Elke zichzelf respecterende rasvereniging heeft een fokadviescommissie (FAC) nodig.

Fokkers van rashonden hebben de wijsheid niet in pacht en dienen open te staan voor de mening en ervaringen van collega-fokkers. Ook na het tiende nest kan het nodig zijn om inzichten en meningen te herzien. Door met andere fokkers te praten en uit hun ervaringen voordeel te trekken, blijft zelfs de meest ervaren fokker leren.

Een goede fokker kan worden vergeleken met een kunstschilder. Hij creëert iets, bekijkt zijn creatie, en is er tevreden mee. Of hij vindt dat er nog wel iets aan zijn creatie kan worden verbeterd. Een goede fokker ziet welke hond voor zijn fok waardevol is en welke niet. Elke zichzelf respecterende rasvereniging heeft een fokadviescommissie (FAC). De leden van deze commissie adviseren de beginnende en vaak ook de gevorderde fokker. Wie dus geen ”kunstschilder” is, kan gerust een verantwoord nestje fokken, mits hij de goede raad van de FAC opvolgt. Let wel: het gaat hier om het advies van de fokadviescommissie. Degene die uiteindelijk verantwoordelijk blijft voor het fokproduct is de fokker zelf.  

Een fokadviescommissie is de basis van de rasvereniging. Elke rasvereniging heeft als doelstelling de instandhouding en verbetering van (de gezondheid en het welzijn) van het ras. Zonder een fokadviescommissie, zonder participatie van een significant deel van de fokkers van een ras, kan een rasvereniging haar doelstelling niet bereiken.

Dit geldt met name voor de Nederlandse Labradorvereniging (NLV). Toen de NLV enkele jaren na haar oprichting in de jaren zestig werd geconfronteerd met een toename van niet-adellijke leden, die ook wel eens een nestje Labradors fokten, en het succes van de adellijke fokkers uitbleef, werd het bestuur van de NLV steeds afkeriger van de “gewone” fokkers, met als gevolg dat het bestuur in toenemende mate de stem van de “gewone” fokkers liet overstemmen door die van de “gewone” leden (niet-fokkers). Dit leidde er uiteindelijk toe dat de fokkers zich massaal afkeerden van de NLV, of slechts in naam lid bleven.

De NLV heeft geen fokadviescommissie die uit fokkers bestaat, maar een Algemene Begeleidingscommissie (ABC) die uit welwillende vrijwilligers bestaat. De ABC geeft op verzoek van leden en niet-leden fokinformatie voor geregistreerde Labrador Retrievers met stamboom. Wanneer men van plan is met een teef een nestje te gaan fokken of een reu in te zetten voor de fokkerij, kan men voor informatie terecht bij de Algemene Begeleidingscommissie. Maar een beleid gebaseerd op de rijke ervaring van een grote groep fokkers die het beste met het ras voor hebben, is er bij de NLV niet bij.

Ter compensatie van dit essentiële gemis laat de NLV zich adviseren door biologen die zich hebben verdiept in het onderwerp inteelt bij kleine populaties wilde koeien in Scandinavië en door het controversiële bedrijfje Genetic Counseling Services van de nog controversiëler Ed Gubbels (zie de Harlan Connectie). Lees ook het artikel Betrouwbaarheid database NLV laat veel te wensen over.

De NLV heeft de adviezen van Ed Gubbels, de man die veel ervaring heeft met het fokken van Beagles voor de vivisectie en door de Raad van Beheer wordt verguisd sindsdien dit aan het licht is gekomen, neergelegd in regels, waar niet aan kan worden getornd. Aangezien de ervaren, serieuze (hobby)fokkers de NLV al lang geledende rug hebben toegekeerd, lijken deze regels uitsluitend van toepassing te zijn op de enkele fokkers van een gelegenheidsnestje die nog lid zijn van de NLV.  

Lijken, want de NLV is één van de grootste en meest invloedrijke verenigingen van de Raad van Beheer, en dat komt uitsluitend door de “tientjesleden” – de abonnees op het glossy magazine dat de NLV als verenigingsblad verspreidt en dat uitsluitend verkrijgbaar is wanneer men zich aanmeldt als lid van de NLV. Die abonnees vormen de basis van de NLV, en in die basis ontbreken de kennis, de ervaring en het inzicht dat men nodig heeft om tot een verantwoord en reëel fokbeleid te komen.

De NLV is daarmee een pure consumentenorganisatie geworden. Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat de NLV vanwege haar invloed in de Raad van Beheer grote invloed heeft op het Basisfokreglement voor de Labrador Retriever, terwijl de rasvereniging waarin de fokkers wél invloed hebben op het fokbeleid, veel minder invloed in de Raad heeft. Dat leidt dus indirect tot een situatie waarin een consumentenorganisatie bepaalt waaraan de producenten dienen te voldoen, en dat kan nooit de bedoeling zijn geweest van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) toen zij de Raad van Beheer dwong om meerdere rasverenigingen per ras toe te laten. Wanneer de Raad van Beheer dus toestaat dat de consumentenorganisatie vanwege haar grote aantal tientjesleden het Basisfokreglement kan bepalen, is het opnieuw noodzakelijk om een beroep op de NMa te doen.

Elke zichzelf respecterende rasvereniging met een fokadviescommissie buigt zich naast de gebruikelijke onderwerpen als gezondheid en welzijn van het ras serieus over de volgende onderwerpen: de excessen ten gevolge van overtypering, de nauwe verwantschap tussen ouderdieren, en daarmee samenhangend de breedte van de genenpool. Wat de Labrador Retriever betreft, d.w.z. de hond zoals die binnen de door de Raad van Beheer erkende rasverenigingen voor de Labrador wordt gefokt, bestaan die excessen t.g.v. overtypering niet, is de verwantschap tussen ouderdieren in de afgelopen decennia enorm gedaald en is de genenpool aanzienlijk breed, mede als gevolg van het feit dat veel fokkers en dekreu-eigenaren hun fokmateriaal uit het buitenland halen. Het aanbod van hoogwaardige dekreuen uit veel verschillende bloedlijnen is breed, terwijl de eigenaren van fokteven zich niet op enkele kampioenen richten, maar op het brede aanbod van hoogwaardige dekreuen.      

Men zou dus met een gerust hart kunnen vaststellen dat het goed gaat met de Labrador zoals die binnen de erkende rasverenigingen wordt gefokt. Toch blijft de NLV de indruk wekken dat dat niet het geval is. Men maakt daarbij gebruik van de cijfers van een tweetal door Genetic Counseling uitgevoerde enquêtes, die slechts voor een uitermate klein deel betrekking hebben Labradors die binnen de rasverenigingen zijn gefokt. De “conclusies” van deze enquêtes zijn daarom niet wetenschappelijk onderbouwd en niet representatief voor de labradorpopulatie zoals die binnen de rasverenigingen is gefokt, en kunnen en mogen alleen om die reden al niet leiden tot enige regelgeving t.a.v. de fokkerij in deze populatie.

Vanwege het jarenlange ontbreken van een fokadviescommissie in de NLV is er in de loop der jaren regelgeving ontstaan die niet tot stand is gekomen door een fokadviescommissie bestaande uit ervaren fokkers met liefde voor het ras. Zo maakt de volgende regel deel uit van het Basisfokreglement: “Een teef mag slechts twee nesten in de periode van 24 maanden voortbrengen, met dien verstande dat de periode tussen de dekking voor het eerste nest en de dekking voor het daarop volgende tweede nest tenminste 10 maanden moet bedragen. De periode van 24 maanden start op de datum waarop de dekking voor het eerste van de twee binnen deze periode geboren nesten heeft plaatsgevonden.”

De meeste fokkers kunnen zich volledig vinden in het eerste deel van bovenstaande regel. Twee nesten per twee jaar is alleszins redelijk. Maar er kunnen zich bepaalde situaties voordoen waarin een ruimere toepassing van de regel beter is voor de teef in kwestie. Stel dat een jonge, gezonde teef een nestje werpt van bijvoorbeeld twee à drie pups. Dan is het voor die teef beter om haar bij de volgende loopsheid nogmaals te dekken en haar vervolgens een jaar à anderhalf jaar rust te gunnen (waarmee is voldaan aan de norm van twee nesten per twee jaar), dan haar na dit kleine nestje nog een jaar te laten wachten.

Normaal gesproken zou dit de eigen verantwoordelijkheid van de fokker moeten zijn. Hij kent zijn hond, hij weet als geen ander wat het beste voor zijn hond is. De regelgeving zou deze speelruimte moeten bieden, volgens het “Nee, tenzij…” principe.

Wanneer je welwillende, maar onwetende amateurs de macht geeft om overal regeltjes voor te bedenken, ontstaat er een bureaucratie waarin de controleurs alleen nog maar hoeven te oordelen of bepaalde regels zijn overschreden of niet. Het is zwart of wit. Geen uitzonderingen mogelijk. Geen toepassing van menselijke waarden. En daarmee wordt de fokker (en de fokadviescommissie) in toenemende mate elke eigen verantwoordelijkheid ontnomen.

Met een goed functionerende fokadviescommissie zou deze bureaucratie niet nodig zijn. Dat is de basis van de hobby die kynologie heet. Bij twijfel overleg je met de fokadviescommissie, die bestaat uit ervaren fokkers. In het uiterste geval kan de fokadviescommissie besluiten dat een fokker zich zodanig gedraagt dat de rasvereniging zich niet meer met deze fokker wil vereenzelvigen, en wordt het lidmaatschap opgezegd.

Maar als je, zoals de NLV, bij gebrek aan ervaren fokkers niet over zo’n fokadviescommissie beschikt, kun je niet anders dan eenvoudige, starre regeltjes opstellen en de naleving ervan laten controleren door onwetende vrijwilligers.

Ik meen te mogen betwijfelen dat zo’n vereniging het recht heeft om zich rasvereniging te noemen en als zodanig deel uit te maken van de Raad van Beheer.

Jaap van der Wijk

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Betrouwbaarheid database NLV laat veel te wensen over

De database van de NLV is een mysterieus verschijnsel. Er is een officieel beleid en een officieus beleid. Zo zal de NLV, door schade en schande wijs geworden want er zijn slachtoffers gevallen door uitermate onzorgvuldige berichtgeving, niet gauw overgaan tot het officieel bekend maken van een bepaalde erfelijke aandoening wanneer het bewijs daarvoor niet onomstotelijk is aangetoond. Officieus is dat anders. Het komt nog regelmatig voor dat een fokker informeel (gevraagd of ongevraagd) wordt benaderd door een medewerker van de NLV en dat er tegen het gebruik van een bepaalde dekreu wordt geadviseerd omdat die en die dat en dat hebben gezegd. In die gevallen gaat het om erfelijke aandoeningen die niet onomstotelijk kunnen worden bewezen, maar wel deel uitmaken van de geruchtenstroom. Het spreekt voor zich dat de meeste mensen die dergelijke informele adviezen krijgen niet gauw besluiten om die dekreu dan toch maar te gebruiken.

Ik weet dat het allemaal goed bedoelde kneuterigheid is, en daarom moeten we ons telkens weer realiseren dat de NLV een vrijwilligersorganisatie is waar geen professionele integriteit van kan worden verwacht. Overigens wijst de NLV daar zelf ook keer op keer op wanneer zij verwijten krijgt t.a.v. haar administratief functioneren.

De ene aandoening is meer erfelijk bepaald dan de andere. De mate van erfelijkheid van HD wordt bijvoorbeeld door deskundigen als tamelijk laag beoordeeld, terwijl ED juist een hoge mate van erfelijkheid heeft. Daarnaast zijn de meeste erfelijke aandoeningen polygenetisch, hetgeen het nog moeilijker maakt om te zien bij welk ouderdier de aandoening vandaan komt. Of de administratie van de NLV over de professionaliteit beschikt om deze gegevens juist in te voeren en juist te interpreteren meen ik op basis van het voorgaande zeer te mogen betwijfelen.

Omdat de NLV een vrijwilligersorganisatie is, is de continuïteit vaak zoek. Diverse NLV-commissieleden die waren belast met de database hebben gevraagd om een protocol, zodat er eenduidigheid was en duidelijke richtlijnen omtrent de invoering van gegevens. Dat protocol kwam er niet. Jarenlang werkten diverse NLV-commissieleden op hun eigen manier, met hun eigen interpretatie, en zo kon het gebeuren dat letterlijk alles werd ingevoerd, terecht of onterecht. Het gevolg van dit gebrekkige beleid is dat de database van de NLV enorm is vervuild en dat er met de beste wil van de wereld geen betrouwbare conclusie meer uit te halen valt.

Destijds vond er al geen controle plaats en zelfs nu kan niet worden achterhaald wie van de commissieleden welke gegevens heeft ingevoerd, en hoe accuraat deze invoering heeft plaatsgevonden.

Men maakt gebruik van het ruwe materiaal wat door de Raad van Beheer en de uitermate controversiële Genetic Counselling van de uitermate controversiële Ed Gubbels (zie de Harlan Connectie) wordt aangeleverd.
De verwerking van al die gegevens is in handen van de vrijwilligers van de NLV. Dit leidt inderdaad tot een zeer onbetrouwbare database met zeer onbetrouwbare gegevens. Het ergste van alles is dat deze onbetrouwbare datebase vervolgens weer door Gubbels en zijn Genetic Counselling wordt gebruikt om tot bepaalde “wetenschappelijke” conclusies te komen, die dan weer in de LabradorPost worden gepubliceerd.

Vileine kruisbestuiving.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Een nostalgische kerst

Er was geen sneeuw gevallen. De temperatuur was rond 10°C. Gelukkig was de harde wind gezakt en scheen de zon. Dora was blij dat ze de drukke snelweg achter zich had gelaten en nu via een wirwar van landweggetjes en ongeplaveide bospaden onderweg was naar het landhuis van haar vriend Charles. Het was alweer een paar jaar geleden dat ze hier voor het laatst was geweest, maar er was weinig veranderd. Dit was het gebied waar het adellijke geslacht waartoe Charles behoorde al eeuwenlang de scepter zwaaide, waar nooit een ruilverkaveling had plaatsgevonden, waar Charles werd aangesproken als “meneer de baron” en altijd als eerste bij de slager werd geholpen, ook al waren er tien anderen voor hem.

Dora hield van deze omgeving, waar men nog besef had van rang en stand. Zij voelde zich geprivilegieerd omdat zij zich tot de intimi van de baron mocht rekenen. Zelf was ze van eenvoudige komaf, maar dat was heel lang geleden en daar wilde ze liever niet aan worden herinnerd. Zij had zich haar hele jeugd de prinses op de erwt gevoeld, en toen zij op dertienjarige leeftijd een weekje mocht logeren bij de adellijke tante van een klasgenootje, wist zij waar zij thuishoorde.

Het hek was dicht en voorzien van een bord: “Privé-terrein. Verboden toegang voor onbevoegden.” Voordat Dora het hek opende, keek zij nog even in de brievenbus. De Telegraaf en het Financieel Dagblad, wat kerstkaarten en bankafschriften. Ze nam de stapel post uit de brievenbus, opende het hek, reed het pad op en sloot het hek. Hoewel ze het landhuis nog niet kon zien, wist zij dat zij slechts een paar honderd meter was verwijderd van haar einddoel.

Voor haar doemde het landhuis van Charles op, een statig gebouw met rieten dak, met daarnaast het koetshuis, in dezelfde stijl. Charles kwam naar buiten lopen, zei “Hallo Dora, wat fijn dat je er bent”, kuste haar op haar wang, zonder die aan te raken, en opende één van de deuren van het koetshuis, zodat Dora daar haar auto kon stallen.

“Kan er even iemand komen helpen om de boodschappen naar binnen te brengen?” vroeg Dora.

“Sorry, de werkster is net een uur geleden naar huis gegaan,” antwoordde Charles. “Zij moest zelf nog de kerstboodschappen voor haar gezin in huis halen.”

* * *

Oud geld kenmerkt zich door soberheid. In tegenstelling tot de villa’s van het nieuwe geld, waar Dora regelmatig kwam, was het landhuis niet voorzien van de nieuwste elektronische snufjes. Geen bewakingscamera’s, geen vloerverwarming, geen hypermoderne keuken. De verwarmingsketel was dertig jaar oud en werd nooit gebruikt, er waren slechts twee badkamers in het hele huis, maar er was een grote open haard in de woonkamer en een kleinere in de bibliotheek. Het hout daarvoor werd wekelijks gekapt door de jongens van het hoveniersbedrijf die het bos en de vijvers op het landgoed onderhielden. Zij waren de neefjes van de werkster.

“Zet de boodschappen maar in de ijskast,” zei Charles. “Dan zet ik water op voor de koffie.”

Dora was goed op haar komst voorbereid en trok haar dikke wollen vest aan. In de keuken keek zij om zich heen. Hmm, dat zou een probleem worden, want hoe bereid je een magnetron-maaltijd zonder magnetron? Gelukkig was er een gasfornuis, zodat ze de oven kon gebruiken.

Charles begaf zich naar de kelder om een paar flessen rode wijn op kamertemperatuur te laten komen. Hij bedacht zich dat hij de 60W lamp moest vervangen voor een 40W, want al dat licht was niet nodig en kostte alleen maar geld. Hij selecteerde een paar mooie flesjes, veegde de schimmel van de etiketten (hoe krijg je een kelder droog?) en liep weer naar boven om de haard in de woonkamer aan te steken.

Piano-etudes van Chopin, dat leek Dora wel geschikt als achtergrondmuziek. Ze haalde de langspeelplaat uit de hoes, legde haar voorzichtig op de Dual draaitafel en plaatste de naald op de plaat. Het was alsof de tijd veertig jaar stil had gestaan. Om zich heen kijkend zou niemand zich realiseren dat het 2011 was in plaats van 1970. Het meubilair en de houten vloer waren versleten, maar het geheel misstond niet bij de antieke kasten en de vleugel.

Nu de open haard flink begon te branden werd het iets behaaglijker en nadat ze de eerste slok had genomen van het glas rode wijn dat Charles voor haar had ingeschonken, kon Dora zich ontspannen.

“Wat kennen wij elkaar al lang eigenlijk, hè Door?” zei Charles.

Dat was waar. De vader van Charles was één van de oprichters van de Labrador Vereniging. In die jaren bestond de Vereniging vrijwel uitsluitend uit adellijke personen en patriciërs die in navolging van de hertogen van Malmesbury en Buccleuch de fokkerij van de Labrador Retriever in goede banen trachtten te leiden. Omdat Dora zich tot dit milieu voelde aangetrokken schafte zij zich een Labrador aan van een bestuurslid van de Vereniging, een dame die een reu en een teef uit Engeland had laten overkomen, en werd zij lid van de Vereniging, hoewel zij eigenlijk niet van honden hield.

Als één van de veertig leden van de vereniging werkte Dora zich snel op. Zij kreeg kennis aan een tandarts die ook lid was en trad een jaar later met hem in het huwelijk. Nu zij niet meer financieel afhankelijk was, kon zij haar baan als directiesecretaresse opzeggen en zich full-time aan de Vereniging wijden. Binnen afzienbare tijd werd zij benoemd tot bestuurslid van de Vereniging, naast Charles als voorzitter.

Charles zelf had nog nooit een dag in zijn leven gewerkt. Hij miste de intelligentie om een studie te volgen en mama vond hem niet geschikt voor het verrichten van lichamelijke arbeid. Papa was van mening dat Charles dan wel een maatschappelijke functie moest vervullen, dus benoemde hij Charles tot zijn opvolger als voorzitter van de Vereniging. Zolang Charles slechts in naam voorzitter was en gesteund werd door de overige bestuursleden, kon er weinig mis gaan.

Het resultaat van deze constructie, die niet uitzonderlijk was in het bedrijfsleven en het maatschappelijk leven, was dat het feitelijk besturen van de Vereniging op Dora neer kwam. Charles zat immers slechts ter decoratie in het bestuur. Een groot probleem van de Vereniging was de voortschrijdende democratisering, waardoor de meest ordinaire boerenkinkels zich konden aanmelden als lid. Dat was iedereen een doorn in het oog, maar er viel niets aan te doen. Wettelijk hadden zij immers het recht om lid te worden.

“Dat is eigenlijk de ondergang van de Vereniging geweest,” zei Charles.

Dora knikte. De Labrador Retriever werd steeds populairder en het ledental van de Vereniging groeide enorm. De belangrijkste redenen voor de adel en de patriciërs om zich formeel uit het bestuur van de Vereniging terug te trekken waren om elke schijn van bevoogding te voorkomen en omdat Charles niet echt een representatieve vertegenwoordiger van dit bevoorrechte bevolkingsdeel was. Dora was een waardig en vaardig bestuurslid en men kon het officieel bestuur van de Vereniging gerust aan haar overlaten. Wat er achter de schermen gebeurde was uiteraard een heel ander verhaal.

“Varkenshaasjes in champignon-roomsaus” stond er op de verpakking, dus daar hoorde witte wijn bij, wist Charles. Wederom stoorde hij zich aan de 60W lamp in de kelder. Wat een geldverspilling. Snel greep hij drie flessen Pouilly-Fumé en haastte hij zich naar boven, om maar zo snel mogelijk het licht weer uit te kunnen doen.

De champignon-roomsaus was gegratineerd en de varkenshaasjes waren verschrompeld en taai. Misschien was drie kwartier op 220°C in de oven toch net iets te veel van het goede geweest, dacht Dora. Maar de wijn smaakte goed en de open haard brandde lekker, dus de avond kon niet meer stuk.

“Waar is het mis gegaan, Door?” vroeg Charles.

“Met die verrekte fokkers,”antwoordde Dora uit de grond van haar hart. Vele jaren was zij erin geslaagd de stem van de fokkers te overstemmen door gebruik te maken van de democratie van het verenigingsleven, die gebaseerd is op de dictatuur van de meerderheid. Door er telkens weer voor te zorgen dat er meer tegenstemmers waren dan de fokkers konden produceren, slaagde zij er telkens weer in om de stemmen van de fokkers op democratische wijze naast zich neer te leggen. Het gevolg was dat de fokkers zich en masse terugtrokken uit de vereniging, of niet meer actief in de vereniging participeerden, hetgeen uiteraard de bedoeling was.

Dit had nog jarenlang goed kunnen gaan, ware het niet dat er binnen de kynologie steeds meer stemmen opgingen om meerdere rasverenigingen per ras te accepteren. Dora verzette zich daar fel tegen, maar het mocht niet baten. En zo kon het gebeuren dat er meerdere Labrador verenigingen werden opgericht, en dat de fokkers zich in die nieuwe organisaties verenigden.

“Wil jij eerst nog koffie, of gaan we direct door met rood?” vroeg Charles.

“Laat die koffie maar,” zei Dora. “Je hoeft mijn glas niet om te spoelen.” Terwijl Charles nog een paar flessen rode wijn uit de kelder haalde, legde Dora een paar houtblokken op het vuur.

“We hebben meer dan vijfduizend leden,” zei Charles. “Daar kunnen we toch een behoorlijke vuist mee maken?”

“Binnen de Raad van Beheer wel,” antwoordde Dora, “maar in de Vereniging ligt dat anders. Om tot geloofwaardige besluitvorming te kunnen komen moet je de leden wel kunnen motiveren om te participeren, en dat wordt steeds moeilijker. De meeste “leden” van de Vereniging zijn immers niets meer dan abonnees van het verenigingsblad. Zodra je het blad zou loskoppelen van de vereniging en het in de kiosk zou verkopen, zou je direct minstens 95% van de leden kwijt zijn.”

“Wat vind je dat er moet gebeuren om het voortbestaan van de Vereniging veilig te stellen?” vroeg Charles.

“Voorlopig moeten we ons laten meedrijven op het maatschappelijke verschijnsel dat de fokkerij in een zeer slecht daglicht staat,” antwoordde Dora. “De mensen zijn bang om een dure rashond te kopen, en op die angst moeten we inspelen. Enerzijds benoemen wij de problemen die er zijn, anderzijds wijzen wij het publiek erop dat je bij iemand die volgens de regels van de Vereniging fokt min of meer verzekerd bent van een goede pup en dat je die angst niet hoeft te hebben. Het mes snijdt aan twee kanten: de Vereniging krijgt weer een goede naam en de andere verenigingen krijgen een slechte naam omdat zij de problemen bagatelliseren.”

“Tja Door, maar daar heb ik toch mijn twijfels over. In de eerste plaats kun je die ”structurele problemen” van Labradors zoals die binnen de verenigingen wordt gefokt onmogelijk hard maken, want die zijn er niet. Je kunt de Labrador wereld niet verdelen tussen de Vereniging enerzijds, en de rest, dat wil zeggen de andere verenigingen en het complete grijze en zwarte gebied, anderzijds. In de tweede plaats rijst bij mij de vraag aan wie je de regels van de Vereniging wilt opleggen wanneer alle fokkers op een gegeven moment lid zijn van andere verenigingen. Aan het enkele lid dat een gelegenheidsnestje fokt?”

“Charles, zolang er fokkers zijn die hun dekreuen op onze dekreuenlijst willen hebben, zullen ze zich moeten conformeren aan de regels van de Vereniging, en daar zie ik voorlopig nog geen verandering in komen.”

“Ik meen dat echt te mogen betwijfelen, Door. Wanneer beginnende fokkers en gelegenheidsfokkers zich eenmaal realiseren dat hun belangen bij de andere verenigingen beter worden behartigd, zal er weinig belangstelling meer zijn voor de dekreuenlijst van de Vereniging. Ik sluit zelfs niet uit dat er op een gegeven moment dekreu-eigenaren zijn die weigeren dekkingen te geven aan leden van de Vereniging.”

“In noodgevallen hebben we altijd nog de abonnees van het verenigingsblad en – op grond daarvan – onze positie in de Raad van Beheer. We hebben als één van de grootste rasverenigingen een enorme macht en kunnen veel dingen tegenhouden en doordrukken, al naar gelang de behoefte.”

“Ondanks het feit dat de Vereniging in feite zo dood als een pier is…” verzuchtte Charles.

“Binnen de Raad van Beheer kunnen we zo nog jaren en jaren doorgaan,” antwoordde Dora. “Dus ik zie het probleem niet, hoor.”

“Ik weet niet of papa hier blij mee zou zijn geweest,” zei Charles.

* * *

Dora had de pest in. Charles weigerde haar in zijn bed toe te laten en verwees haar naar een muf ruikend logeerkamertje met een eenpersoonsbed en een stapel koude, klamme dekens. Ze had een fles rode wijn mee naar boven genomen om zich warm te houden.

Beneden was het vuur in de open haard gedoofd. Het enige licht kwam uit een kier in de kelderdeur. De langspeelplaat van Chopin sloeg al urenlang over.

   

              

      

Posted in Uncategorized | Leave a comment

NLV lezing inteelt – muffe kneuterigheid in optima forma

Labrador met inteelt

Op zaterdag 29 oktober 2011 organiseerde de Nederlandse Labrador Vereniging een lezing voor het fokkersberaad van de NLV, waarbij zou worden gesproken over de mogelijkheden en onmogelijkheden t.a.v. een dekbeperking van reuen. Om dit onderwerp kracht bij te zetten was bioloog Jack Windig uitgenodigd om te praten over inteelt. Windig is gespecialiseerd in het genetisch beheer van vee.

De NLV is van mening dat het begrip inteelt samenhangt met het begrip dekbeperking. De lezing van Jack Windig leek dan ook vooral bedoeld te zijn om de mening van de NLV te bevestigen en fokkers over de streep te trekken.

Jack Windig vertelt de fokkers dat inteelt de kruising van verwante dieren is. Van deze openbaring zijn de aanwezigen niet echt onder de indruk. Op de spreadsheet is in grote letters te lezen: “Inteelt vergroot kans op erfelijke gebreken.” Daaronder, in kleine letters: “Van mild tot letaal, maar soms ook geen enkel gebrek.”

Eén en ander lijkt dus afhankelijk te zijn van de wijze waarop men fokt. Fokken is selecteren, en selecteren vereist kennis en ervaring. Als je zoals de grote succesvolle Engelse labradorfokkers van 30 tot 50 jaar geleden bewezen topkwaliteit (qua gezondheid en raskenmerken) kruist met bewezen topkwaliteit, krijg je topkwaliteit. De populatie die uit deze lijnenteelt is voortgekomen vormt de basis van de hedendaagse wereldwijde labradorpopulatie. Dus als je goed selecteert krijg je goed fokmateriaal, en als je slecht selecteert krijg je gigantisch veel problemen.

Wetenschappers als Jack Windig en Ed Gubbels (zie de Harlan Connectie) die door de NLV worden gebruikt om hun eenzijdige argumenten kracht bij te zetten, lijken weinig vertrouwen te hebben in de kennis en ervaring van de labradorfokkers die zijn aangesloten bij de Nederlandse labradorverenigingen. Zij zijn van mening dat “inteelt” (dat in de praktijk hooguit lijnenteelt is) in het algemeen (bij landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren) een hoog risico met zich meebrengt, en dat dit risico kan worden beperkt door een dekbeperking in te stellen.

Als Jack Windig zijn lezing voortzet en op de spreadsheet de zin “In het ergste geval komt het ras in een draaikolk” vertoont, voelen de aanwezige fokkers zich niet langer aangesproken. Deze lezing heeft geen betrekking op hun praktijk. Het had evenzogoed over inteelt bij de regenworm kunnen gaan. Waar de labradorfokkers op zitten te wachten zijn harde feiten en cijfers over de labradorpopulatie zoals die binnen de Nederlandse labradorverenigingen is gefokt. Hoe is het met die afgebakende populatie gesteld? Is binnen die afgebakende populatie sprake van zorgwekkende inteelt of lijnenteelt? Is binnen die afgebakende populatie sprake van inteeltdepressie? Vertonen de labradors binnen die afgebakende populatie negatieve afwijkingen op het gebied van gezondheid, raskenmerken en fertiliteit?

Zowel de Raad van Beheer als de NLV hebben de gegevens over deze afgebakende labradorpopulatie in huis, maar zijn kennelijk (nog steeds) niet in staat om de harde feiten en cijfers over deze populatie te produceren. Op basis van die (afwezige) feiten zou je tot bepaalde conclusies kunnen komen, zou je lezingen kunnen organiseren, zou je kunnen zeggen dat die en die fokkers goed bezig zijn en anderen niet. Op basis van die (afwezige) feiten zou je kunnen bepalen of een dekbeperking van reuen noodzakelijk is, of juist niet.

“Meer inteelt = meer problemen” stelt Jack Windig vervolgens in zijn lezing. Als je voor het gemak even vergeet dat fokken selecteren is, zou dat kunnen kloppen. Als je volstrekt onwillekeurig een reu die zichzelf niet bewezen heeft op een teef zet die zichzelf niet bewezen heeft, en deze dieren zijn aan elkaar verwant en op hun beurt afkomstig van dieren die zichzelf niet bewezen hebben, dan is de kans op problemen inderdaad hoog. Maar dat geldt omgekeerd evenredig ook wanneer je volstrekt onwillekeurig een reu die zichzelf niet bewezen heeft op een teef zet die zichzelf niet bewezen heeft, en op hun beurt afkomstig zijn van dieren die zichzelf niet bewezen hebben, terwijl zij op geen enkele wijze aan elkaar zijn verwant.

In de wetenschap is het gebruikelijk om met een schaduwpopulatie te werken, ten einde tot wetenschappelijke conclusies te kunnen komen. Deze schaduwpopulatie kan als controlepopulatie worden ingezet. Zo toont een wetenschappelijke studie van dr. Katariina Mäki uit 2004 aan dat het percentage van heupdysplasie van een populatie Labradors met een relatief hoge mate van “inteelt” (in feite lijnenteelt) lager was dan bij een populatie Golden Retrievers met een veel lagere mate van “inteelt”. Dezelfde studie toont aan dat bij de Labrador het optreden van erfelijke heupdysplasie en andere erfelijke aandoeningen in de gevarenzone komt wanneer het inteeltcoëfficiënt hoger is dan 18,75%. Dergelijke percentages komen in de Nederlandse labradorpopulatie zoals die binnen de labradorverenigingen wordt gefokt niet voor, maar het is goed om er rekening mee te houden. Dat is informatie waar de labradorfokkers wat aan hebben. Jammer dat Jack Windig en Ed Gubbels over te weinig feitenmateriaal en kennis beschikken om dergelijke cijfers te kunnen produceren.

Dr. Malcolm Willis, wereldwijd een toonaangevend expert op het gebied van de genetica van rashonden, schreef mij, nadat ik hem in 2004 de bevindingen van Ed Gubbels c.s. had toegezonden, het volgende: “Ik heb de grote hoeveelheid materiaal die jullie me hebben gestuurd ontvangen en het zal mij wat tijd kosten om het te bestuderen, maar het rammelt aan alle kanten, nog afgezien van het idee dat niet-fokkers een fokbeleid kunnen opstellen. Ik ben een grote voorstander van testen om genetische ziekten zoveel mogelijk uit te sluiten en de meeste fokkers zullen het daar mee eens zijn, maar fokbeperkingen ten aanzien van honden in de zin van een maximaal aantal nesten zijn contraproductief.
De basis van alle selectie is de formule: R= h2S/ t waarbij R de reactie is, h2 de erfelijkheid van de eigenschap en S het selectie-differentieel (superioriteit van de ouders over het gemiddelde van de populatie) en t de generatie-interval.>
Wanneer wij fokken met de beste 10 procent van de populatie, zoals dat in het Verenigd Koninkrijk ongeveer het geval is bij reuen van rassen als de Berner Sennenhond, dan overschrijden deze dieren het gemiddelde met ongeveer 1,76 in het geval van standaard-afwijkingen van welke eigenschap dan ook. Natuurlijk moeten wij niet voortdurend alleen maar de aller-allerbeste dieren selecteren, maar dat doet aan het argument niets af. Wanneer wij echter niet volledig gebruik kunnen maken van de beste 10% en een hoger percentage van de populatie moeten gebruiken, dan vermindert de superioriteit van ons fokmateriaal. Wanneer wij de beste 20% nemen, daalt de waarde van 1,76 naar 1,40. Nemen wij de beste 30%, dan wordt de superioriteit 1,16 en bij de beste 50% is dat 0,80. Ik ben bij deze berekening uitgegaan van onbeperkte aantallen beschikbare honden, maar wanneer die aantallen beperkt zijn, dalen alle genoemde cijfers.
De selectie van vee is volledig gebaseerd op deze formule en de mate waarin wij verzuimen om het BESTE te selecteren, zal de vooruitgang van elke gewenste eigenschap navenant verminderen. De voorstellen leiden bijvoorbeeld tot slechtere heupscores, omdat wij niet langer kunnen kiezen uit de beste exemplaren, maar genoegen moeten nemen met een grotere, en dus slechtere populatie.
Er is wat te zeggen voor nakomelingenonderzoek. Dan kunnen wij namelijk beginnen met het gebruiken van de honden met de beste heupen en afwachten wat zij produceren. Wanneer een specifieke dekreu slechte resultaten voortbrengt, dan kan het verder fokken met deze hond worden beperkt of gestopt. Wij moeten fokken op basis van bewezen kwaliteiten en niet op basis van de arbitraire besluiten die door een stel genetische fanatici in elkaar zijn geflansd!!!”

De “methode Willis” bleek succesvol te werken. Malcolm Willis maakte zich ernstig zorgen over de situatie van de Berner Sennenhond in Groot-Brittannië. In dezelfde tijd maakte de Raad van Beheer zich zorgen om de situatie van dit ras in Nederland. Beide populaties van de Berner Sennenhond hadden een gemiddelde leeftijd van minder dan 6,5 jaar. Gubbels c.s. probeerden in Nederland op hun manier iets aan dit probleem te doen, namelijk door het inteeltcoëfficiënt van het fokmateriaal zo laag mogelijk te houden en te fokken met  honden die zichzelf niet bewezen hadden. Het resultaat was dat de gemiddelde leeftijd steeg van minder dan 6,5 jaar naar 7 jaar. Malcolm Willis daarentegen maakte in Groot Brittanië wél gebruik van honden die zichzelf hadden bewezen, de beste 10% van de populatie, en wist daarmee te bereiken dat de gemiddelde leeftijd van de Berner Sennenhond in Groot Brittannië steeg van minder dan 6,5 jaar naar 8 jaar. (N.B.: in de Verenigde Staten, Canada en Denemarken is de gemiddelde leeftijd 7 jaar.) De oudste Berner Sennenhond in Groot Brittannië werd 15,2 jaar. Malcolm Willis werd benoemd tot voorzitter van de Britse rasvereniging van Berner Senners en stierf zelf op 19 juli 2011 op leeftijd van 76 jaar.

Intussen gaat Jack Windig gewoon door met de muskus-os. Hij laat de aanwezigen zien dat een kleine populatie van zes Zweedse muskus-ossen uitgroeide tot dertig exemplaren en dat de inteelt in 23 jaar tijd toenam van ruim 10% tot bijna 40%. Extreem kleine populatie, natuurlijke selectie… De aanwezige fokkers op de NLV lezing begrijpen even niet meer wat het raakvlak van deze lezing is met de situatie van de Nederlandse labradorpopulatie.

“Minstens 15 mannelijke dieren nodig om inteelt laag te houden. Minstens 400 vrouwelijke dieren nodig om tegenslagen te kunnen overleven.” Daar voldoen we ruim aan, dus waar hebben we het over? Nog meer onbegrip over het doel en de waarde van deze bijeenkomst maakt zich meester van de aanwezige fokkers.

Wanneer Jack Windig in zijn lezing over inteelt moeiteloos doorgaat met het advies om een dekreubeperking voor reuen in te stellen, kennelijk nog steeds met die dertig Zweedse muskus-ossen in zijn achterhoofd, lijkt hij te begrijpen dat de oplossing voor een “probleem” net zoveel waard is als de acceptatie van die “oplossing”. Dus wanneer de acceptatie nul is, is de oplossing eveneens nul. Die acceptatie daalt zelfs tot ver beneden nul wanneer Windig aan het eind van zijn spreadsheet-presentatie de volgende tekst laat zien: “Beperkingen aantal dekkingen per reu. Altijd doen! Al was het maar 10 nesten per reu per jaar!”

Waar heeft die man het over? Sommige van de aanwezige fokkers hebben al drie decennia of langer kwaliteitspups geproduceerd, hebben zich in de loop der jaren terdege verdiept in de wetenschappelijke genetische conclusies van de grootsten ter wereld op dit gebied, mensen als dr. George Padgett en dr. Malcolm Willis, die zij zelfs bereid hebben gevonden om naar Nederland te komen en de Nederlandse Raad van Beheer en in wetenschappelijke kringen nauwelijks gerespecteerde genetici als Ed Gubbels deelgenoot van hun rijke ervaringen te maken. Padgett en Willis, die een schat aan praktische ervaring met hondenpopulaties hebben opgedaan, met de liefde voor de hond als voornaamste drijfveer. De Raad van Beheer, Ed Gubbels en rasverenigingen als de NLV waren niet in staat om de wetenschappelijke bevindingen van Padgett en Willis te weerleggen. Vervolgens liet de Raad van Beheer Gubbels (terecht) vallen als een baksteen, maar het bestuur van de NLV sloot hem met liefde in hun armen. En nu zitten de fokkers van de NLV opgescheept met een charlatan als Gubbels, wiens enige fokervaring met honden bestaat uit het fokken van Beagles voor de proefdierenindustrie, en Jack Windig, die zich zodanig serieus in de Nederlandse labradorpopulatie heeft verdiept dat zijn beste vergelijking met deze grote populatie uit een groepje van dertig Zweedse muskus-ossen bestaat. Zowel voor de leek als de deskundige is de vergelijking zoek.

Het zal niemand verbazen dat na afloop van de presentatie de aanwezige fokkers op de NLV-lezing hun kritiek niet onder stoelen of banken steken. Wanneer je op basis van wetenschappelijke argumenten probeert een beleid te creëren dat een signifante vrijheidsbeperking van fokkers inhoudt, moet je met onweerlegbare wetenschappelijke feiten op tafel komen die betrekking hebben op de Nederlandse labradorpopulatie zoals die binnen de Nederlandse labradorverenigingen wordt gefokt, en wanneer je niet over die wetenschappelijke feiten beschikt moet je gewoon wachten met het produceren van argumenten en het nemen van besluiten totdat je wél over die feiten beschikt. Zo simpel is het.

De Raad van Beheer is voornemens een onderzoek te doen bij de Saarloos Wolfhond, de Golden Retriever en de Teckel. Deze inventarisatie van de relatie tussen het inteeltcoëfficiënt en de gevolgen daarvan voor de populatie moet de basis worden van het beleid ten aanzien van alle hondenrassen in Nederland. Omdat de Labrador in dit verhaal niet voorkomt, vragen veel aanwezigen zich af waarvoor deze lezing bedoeld was.

Een bestuurslid van de NLV merkt op dat er met de Labrador toch echt wel heel wat aan de hand is, en noemt als voorbeeld het oordeel van de Rashondenwijzer, een uitermate twijfelachtig initiatief van de stichting Dier en Leed. Ach ja, het NLV-bestuur. De relatie tussen de Nederlandse labradorfokkers en het bestuur van de NLV is gecompliceerd. Om de buitenstaander duidelijk te maken hoe die relatie in elkaar zit, kun je het best gebruik maken van het voorbeeld van een kliniek. Het NLV-bestuur kun je in dit voorbeeld vergelijken met de welwillende amateurs die in de kliniek de vrijwilligers zijn die thee zetten en bloemen schikken, terwijl je de serieuze hobbyfokkers van de vereniging kunt vergelijken met de professionals die in de operatiekamer werken. De gecompliceerdheid van de verhouding wordt veroorzaakt door het feit dat de vrijwilligers in het voorbeeld de stemmen van de patiënten achter zich hebben en dat de vrijwilligers kunnen bepalen welke patiënt er wordt behandeld, waar de incisie plaatsvindt, hoe de scalpel moet worden vastgehouden en welk deel van de lever er moet worden verwijderd. De vrijwilligers beschouwen de professionals als “de vijand”, want zij denken altijd dat zij het beter weten.

Tijdens de bijeenkomst wordt het NLV-bestuur gewezen op bovenomschreven probleem, één van de redenen waarom veel fokkers zich hebben aangesloten bij de Labrador Kring Nederland (LKN). Er zijn veel leden van de NLV die net als het NLV-bestuur wel een mening hebben, maar niet over enige kennis van de fokkerij beschikken. Wanneer er over een bepaald onderwerp moet worden gestemd, zijn de fokkers altijd in de minderheid en is hun deskundige stem niets waard. De voorzitter van de NLV verklaart zich bereid het stemmingsgebeuren onder de loep te nemen.

(Advies van ondergetekende: stel een fokadviescommissie samen die voor de helft uit fokkers en voor de helft uit niet-fokkers bestaat. Het fokkersdeel wordt door de gezamenlijke fokkers gekozen, de niet-fokkers worden door de overige NLV-leden gekozen. Over fokbeleid kan binnen de fokadviescommissie worden gestemd en beslist. Het besluit van de fokcommissie is bindend en niet vatbaar voor besluitname tijdens de ALV.)   

Om de “vakkennis” van het bestuur te illustreren wordt er tijdens de bijeenkomst voorgesteld om uit ieder nest een reu aan te houden voor de fokkerij. Hoe stelt men zich dat voor? Moet een fokker een pupkoper dwingen om zijn pas verworven reutje beschikbaar te houden voor dekkingen? Moet een fokker zelf uit elk nest een reutje aanhouden?

Aanwezige fokkers wijzen op het feit dat de Nederlandse labradorpopulatie vergeleken met andere landen waarschijnlijk de laagste inteeltcoëfficiënt heeft. Nederlandse dekreu-houders hebben de afgelopen 30 jaar veel tijd en geld geïnvesteerd om continue nieuwe (bewezen) reuen te importeren om het ras te verbeteren en om inteelt te voorkomen. Als men kritisch kijkt naar de dekreulijst van alle dekreuen in Nederland, dan komt men al snel tot de conclusie dat er geen zonen zijn van “matadors” uit het verleden die net zo veel hebben gedekt als hun vader. Fokkers zijn continue op zoek naar vers bloed vanuit het buitenland, met behulp van een “open database”, een verschijnsel dat in Nederland nog altijd toekomstmuziek is. Zelfs de Raad van Beheer en de NLV zijn thans niet in staat om de (geanonimiseerde) gegevens te produceren die voor een lezing over inteelt van essentieel belang zijn. Men verwacht dat men over 1 à 2 jaar een werkende database operationeel kan hebben.

Desondanks wil het NLV-bestuur de dekbeperking er nu door drukken, en het bestuur heeft wisselgeld: in plaats van het door Jack Windig geopperde maximum van tien dekkingen per reu strijkt het NLV-bestuur over het hart en stelt men grootmoedig een maximum van twintig dekkingen per reu voor. Het besluit daarover moet tijdens de algemene ledenvergadering van mei 2012 worden genomen. De fokkers hebben hier veel moeite mee, omdat de benodigde database, op basis waarvan conclusie kunnen worden getrokken en besluiten kunnen worden genomen, dan nog niet beschikbaar is.

Uit de database van de NLV blijkt dat er gemiddeld 4000 pups per jaar geboren worden en dat met 2% daarvan wordt gefokt. Een fokker stelt de volgende vraag: “Volgens de wet van Mendel zouden er dus jaarlijks 2000 reuen en 2000 teven geboren worden. Uitgaande van deze 2000 reuen per jaar en het feit dat 2% daarvan ter dekking wordt aangeboden, kom ik op jaarlijks 40 reuen, en stel dat een reu tot zijn 10e levenjaar kan dekken, dan hebben we het over 400 reuen verspreid over 10 jaar. Hoezo inteelt?”

Er komt geen discussie op gang, hier moet men over nadenken.

Veel van de aanwezige fokkers voelen zich onvoldoende serieus genomen, onvoldoende gewaardeerd en onvoldoende gerespecteerd door het NLV-bestuur. Zij geven aan dat de gezondheid van hun pups hun hoogste prioriteit is, ook al komt 99% van de geproduceerde pups in huishoudens terecht en wordt er met die pups niet gefokt. Dekreu-eigenaren geven aan dat zij soms wel vier potentiële dekreuen voor de fokkerij moeten afschrijven alvorens zij een dekreu hebben gevonden die aan alle criteria voldoet. Wat de door het NLV-bestuur voorgestelde spreiding van dekreuen betreft geven fokkers aan dat de eigenaren van een teef bepalen welke dekreu zij willen gebruiken, en dat veel van die eigenaren daarbij terecht kiezen voor bewezen kwaliteit. Door het aantal dekkingen van een reu te limiteren en reuen toe te laten die niet aan de rasstandaard voldoen, ontstaat er vervuiling van de populatie, want de nakomelingen van deze reuen geven hun ongewenste genen door naar volgende generaties. Verder vinden de fokkers het van belang dat er een DNA profiel komt van alle Labradors waarmee gefokt wordt, dit om stamboomvervuiling te voorkomen.

Aanwezige fokkers zijn van mening dat het verhaal van Jack Windig niet overtuigend was. Zij willen graag meer wetenschappers aan het woord laten, omdat de meningen in de genetische wetenschappen zeer verdeeld zijn. Ook hebben zij veel moeite met het feit dat het bestuur van de NLV een tendentieus artikel over inteelt in de LabradorPost heeft geplaatst zonder de fokkers van de vereniging te raadplegen.

Lees hier het artikel De Nederlandse Labradorvereniging (NLV) en het verschijnsel Inteeltcoëfficiënt.            

Jaap van der Wijk

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Rashondenwijzer: pseudo-wetenschappelijk en misleidend

Sinds enige tijd kunnen wij op het internet de Rashondenwijzer vinden, een initiatief van de Stichting Dier & Recht die vooral bekendheid heeft gekregen door de actie Varkens in Nood. Over die laatste actie kan ik weinig zeggen omdat ik er te weinig van weet. Wat ik wel weet dat ze bij Dier & Recht niet goed kunnen rekenen en dat ze zich schuldig maken aan misleiding van de consument door pseudo-wetenschappelijke publicaties op het internet te zetten. Die publicaties lijken slechts één doel te hebben: zoveel mogelijk publiciteit verkrijgen voor de organisatie. Dat sommige mensen daar in trappen is hun probleem, maar dat de redactie van een serieus consumentenprogramma als Radar deze effectbeluste publicaties serieus neemt is een uitermate kwalijke zaak.

De methode Rashondenwijzer: van dik hout zaagt men planken

Het is kinderlijk eenvoudig: je Googlet naar de erfelijke aandoeningen die bij bepaalde rassen kunnen voorkomen, je komt tot de conclusie dat bij het ene ras meer erfelijke aandoeningen kunnen voorkomen dan bij het andere, en je maakt daar lijstjes van. Het ras met de minste erfelijke aandoeningen krijgt een aanbeveling, het ras met de meeste erfelijke aandoeningen krijgt de kwalificatie “zeer af te raden vanwege erfelijke aandoeningen”.

Waarom is de methode Rashondenwijzer pseudo-wetenschappelijk en misleidend?

1. Wanneer je wetenschappelijk iets probeert te bewijzen moeten je argumenten valide zijn. Er moet gedegen onderzoek zijn verricht; een beetje Googlen op een regenachtige zondagmiddag kan met de beste wil van de wereld geen “onderzoek” worden genoemd.

2. De publicaties zijn misleidend omdat bij de consument de indruk wordt gewekt dat het aanschaffen van een Labrador – welke Labrador dan ook, en waar dan ook vandaan - uitermate risicovol is en dat de kans zeer hoog is dat de hond één of meerdere van de genoemde erfelijke aandoeningen zal ontwikkelen.  

De werkelijkheid is anders

Bij de Labrador zijn zo’n 137 erfelijke aandoeningen bekend. Bij de mens zijn veel meer erfelijke aandoeningen bekend, maar toch zijn we nog steeds niet uitgestorven. In Nederland behoort de Labrador tot de meest populaire honden. Het zijn fantastische gezinshonden, ze zijn intelligent, ze zijn gemakkelijk in de omgang, ze zijn lief voor de kinderen, en heel veel mensen willen graag een Labrador hebben. Dit is de factor “economische vraag”.

Het feit dat er bij de Labrador zo’n 137 erfelijke aandoeningen bekend zijn heeft met die populariteit te maken. Er is bij de Labrador meer onderzoek verricht dan bij welk ander ras dan ook. Dit betekent echter per definitie niet dat er bij andere rassen minder erfelijke aandoeningen voorkomen. Ook in dat opzicht is de Rashondenwijzer misleidend.

Populariteit is dodelijk voor een hondenras. Zodra een ras populair wordt en de economische vraag sterk stijgt, zijn er mensen die hun kans schoon zien en - om pure financiële redenen - aan die vraag willen voldoen. In Nederland kan iedereen honden fokken; daar heb je in principe geen vergunning voor nodig. Nederlanders staan bekend om hun zuinigheid; waarom zou je 1000 euro voor een hond uitgeven wanneer je voor 400 euro een hond kunt kopen die er precies zo uitziet? 

Voor de leek lijkt het alsof het verschil van 600 euro is gelegen in het feit dat je bij de ene hond wel een stamboom krijgt en bij de andere niet. Waarom zou je 600 euro voor een papiertje betalen?

Ook dat “papiertje” is overigens geen enkele garantie voor een zorgvuldig gefokte rashond, en dat maakt het nog meer begrijpelijk waarom veel mensen daar weinig waarde aan hechten. Het gevolg is dat veel mensen zich bezighouden – hetzij incidenteel, hetzij structureel – met het fokken van Labradors. Er worden zelfs regelmatig hele nesten Labradors uit het voormalige Oostblok naar Nederland gesmokkeld. De Labrador is een geliefd “product” geworden.

Dierenartsen krijgen regelmatig met dit “product” te maken, en zij vragen niet of nauwelijks naar de herkomst ervan. Zij zien op de behandeltafel slechts een Labrador met alweer een erfelijke afwijking, alweer een leven dat vroegtijdig moet worden beëindigd, met alle emotionele en financiële gevolgen voor de eigenaar en zijn gezin van dien.

De andere kant van het verhaal

In Nederland zijn een aantal rasverenigingen van de Labrador Retriever. Die rasverenigingen zijn aangesloten bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland. De Raad stelt een aantal eisen aan de honden waarmee wordt gefokt, en de rasverenigingen hanteren nog een aantal aanvullende eisen.

Er zijn in Nederland serieuze hobbyfokkers van Labradors die uitermate conscientieus te werk gaan. Velen van hen beoefenen hun hobby al meer dan dertig jaar met veel succes. Zij hechten veel waarde aan de gezondheid en het welzijn van hun honden en zijn al (honden)generaties lang uitermate selectief in de keuze van hun fokdieren. Zelf heb ik in tien jaar tijd zo’n 200 Labrador pups op de wereld gezet, en minder dan 2% daarvan heeft uiteindelijk een ziekte ontwikkeld. Deze resultaten zijn in geen enkel opzicht vergelijkbaar met de ongecontroleerde fokkerij die helaas nog steeds plaatsvindt.

Een reëel advies: ga niet over één nacht ijs

Wanneer je de keuze hebt gemaakt voor een Labrador, kijk dan niet in de krant of op Marktplaats, maar ga op zoek naar een serieuze, ervaren hobbyfokker met een goede naam. Een fokker die is aangesloten bij een door de Raad van Beheer erkende rasvereniging. Veel serieuze hobbyfokkers hebben de gezondheidsuitslagen van hun ouderdieren op hun website staan, en wanneer dat niet het geval is, vraag dan om die documenten te mogen inzien. Mocht je alle vertrouwen hebben in een bepaalde Labrador fokker en je besluit tot aankoop van een pup, dan kan het zijn dat je een wachttijd in acht moet nemen. Bij een goed “product” is de vraag vaak groter dan het aanbod, maar je geduld zal worden beloond.

Het moet eerst slechter worden voordat het beter gaat

Zolang de consument niet selectiever wordt en de misstanden in de ongeorganiseerde Labrador fokkerij blijven bestaan (het één bestaat niet zonder het ander), zullen wij geconfronteerd worden met onzorgvuldig gefokte Labradors, zal de dierenarts een zucht slaken wannneer er weer zo’n wanproduct in zijn praktijk komt. In dat licht bezien heeft de actie Rashondenwijzer van de Stichting Dier en Zorg waarschijnlijk een gewenst effect, want wanneer die actie ertoe leidt dat minder mensen impulsief of om economische redenen een Labrador aanschaffen bij broodfokkers en gelegenheidsfokkers, en derhalve de vraag terugloopt, zal het aanbod vanuit de ongeorganiseerde fokkerij eveneens verminderen. Het nadeel is dat dit segment van de consumenten zich zal richten op rassen waarvan (nu nog) weinig erfelijke aandoeningen bekend zijn, rassen die om die oneigenlijke reden in populariteit zullen stijgen, waarna dezelfde ellende opnieuw begint.

Posted in Uncategorized | 2 Comments

Hoe interpreteer je een inteeltcoëfficiënt?

Laat ik het inteeltcoëfficiënt (I.C.) van mijn eigen hond Boris (Drinka Pinta Milka Day of Tintagel Winds) als voorbeeld nemen. Het I.C. berekend over 10 generaties is 9,6159%, te weten de som van het I.C. van de tien honden die hierboven staan vermeld. Dit is normaal voor een hond die volgens het systeem van lijnenteelt is gefokt.

Ter illustratie: de “hoge” score van Foulby Tittle Tattle is het gevolg van het feit dat deze hond de overgrootvader van Boris is, zowel aan vader’s als aan moeder’s kant. Hetzelfde geldt voor Joy Ride of Tintagel Winds, die in beide gevallen de overgrootmoeder was. Nummer drie in het rijtje is Carromer Charley Chalk, een over-overgrootvader van Boris, de vader van Joy Ride of Tintagel Winds. De overige voorouders in het rijtje zijn te verwaarlozen, omdat zij allen voorouders van deze voorouders zijn.

Het principe van lijnenteelt (“a winner makes a winner”) komt in deze berekening van het inteeltcoëfficiënt prima naar voren. Lijnenteelt is de basis van de Labrador Retriever; sinds 1825 heeft de Labrador zich middels deze fokmethode ontwikkeld tot de geweldige hond die hij thans is. Alle kampioenen die de basis van de tegenwoordige Labrador populatie vormen en die je in de meeste stambomen meerdere malen terug ziet, zijn gefokt volgens de methode lijnenteelt. Als gevolg daarvan zal er bij een zorgvuldig volgens de lijnenteelt-methode gefokte Labrador altijd sprake zijn van een inteeltcoëfficiënt tussen 5 en 15%.

Nu zijn er goede bloedlijnen en slechte bloedlijnen, en daarom is het van belang dat we bij de berekening van het I.C. weten om welke honden het gaat. Om een vergelijking te maken met een menselijke stamboom: wanneer je vader met zijn achternicht is getrouwd en zij daarom een gezamenlijke overgrootvader hebben, betekent dit dat die man jouw over-overgrootvader van vader’s en van moeder’s kant is. Maar het maakt nogal een verschil of die man Albert Einstein was of Adolf Hitler. In het ene geval ben je trots op je afkomst, in het andere geval zwijg je er liever over, tenzij je niet goed bij je hoofd bent.

Ergo, wanneer de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV) jou als potentiële pupkoper adviseert om vooral naar de inteelcoëfficiënt van de pup te vragen, vraag dan ook naar de namen van de honden op wie dit I.C. betrekking heeft, en verdiep je vervolgens in de prestaties van die honden. Vraag daarbij vooral NIET naar een deskundig advies van de NLV, want de mensen daar zijn doorgaans simpele vrijwilligers die nog nooit een nest hebben gefokt en geen flauw benul hebben waarover jij het hebt.

Ik  ben trots op de voorouders van mijn Boris. De fokkers en eigenaren van die voorouders hebben fantastische honden gefokt, stuk voor stuk kampioenen, en dat was geen toeval maar zorgvuldige selectie, in een tijd waarin de eigen verantwoordelijkheid van de fokkers niet werd beperkt door mensen die zich vooral kenmerken door een bijna ziekelijke regeldrang. In Boris zie ik de geweldige eigenschappen van die voorouders terug, en daarom ben ik blij dat de namen van die voorouders niet één, maar zelfs twee keer op zijn stamboom voorkomen.

Posted in Uncategorized | Leave a comment