Inleiding
Geen enkele serieuze hobbymatige labradorfokker zal betwisten dat goede gezondheidseisen van belang zijn voor het fokken met labrador retrievers. Ook wordt er niet getwijfeld aan het belang van het welzijn van de labradors waarmee wordt gefokt.
Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer de regeldrang zover gaat dat men de fokkers hun eigen verantwoordelijkheid wil afnemen, wanneer men de fokkers beschouwt als mensen die ondanks hun jarenlange ervaring te weinig inzicht hebben in de Nederlandse labradorpopulatie, wanneer het bestuur van de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV), zelf zonder enige kennis en ervaring op het gebied van de fokkerij met labradors, koste wat het kost zijn gelijk probeert te krijgen met behulp van “deskundige” en “wetenschappelijke” inzichten van mensen als Ir. Ed Gubbels, die zich jarenlang heeft beziggehouden met uitermate controversiële experimenten met beagles. Zie mijn artikel De Harlan Connectie. Met uiterst controversiële methoden, die met wetenschappelijk onderzoek niets te maken hebben, tracht de NLV aan te tonen dat een dekbeperking noodzakelijk is.
Onderzoeksmethodiek m.b.t. de Nederlandse Labrador populatie
Wanneer je een verkennend onderzoek (survey) wilt verrichten naar de algemene gezondheid en verwantschap van labradors in Nederland, om globaal een beeld te krijgen van de situatie, kun je zoals Gubbels volstaan met twee enquêtes, zelfs wanneer slechts een gering aantal leden van de rasverenigingen aan de enquêtes hebben meegewerkt. Een heel ander verhaal wordt het echter wanneer de “conclusies” van deze enquêtes worden gebruikt ter rechtvaardiging van een dekbeperking van reuen.
Subpopulaties
De Nederlandse labrador populatie, d.w.z. de populatie van labradors met een stamboom, kan worden onderverdeeld in een aantal subpopulaties. Enerzijds is er de populatie die niet is gefokt volgens de regels van de rasverenigingen, anderzijds kennen we de populatie die wel volgens de regels van de rasverenigingen is gefokt. Die labradorpopulatie kunnen we vervolgens onderverdelen in de zgn. “showlijnen” en de veel kleinere subpopulatie “werklijnen”.
De grootste overeenkomst tussen de verschillende labrador populaties is dat alle individuen een stamboom hebben. Dat is een groot probleem, want in wetenschappelijke (en andere) onderzoeken wordt doorgaans geen onderscheid gemaakt tussen de twee populaties. Wanneer er dus zorgwekkende conclusies uit dergelijke onderzoeken worden getrokken, worden die conclusies vaak ten onrechte betrokken op beide populaties.
De regels van de rasverenigingen van de Labrador Retriever hebben geen directe invloed op de labrador populatie van mensen die geen lid zijn van die rasverenigingen. Wanneer de rasverenigingen dus willen overgaan tot het instellen van ingrijpende regels die ver-strekkende gevolgen hebben voor de populatie zoals die binnen de rasverenigingen wordt gefokt, zal men eerst de noodzaak van die regels moeten aantonen. En dan volstaat het niet wanneer men de “conclusies” van een verkennend onderzoekje onder de “totale” populatie – waarin slechts een klein deel van de binnen de rasverenigingen gefokte labradors werd betrokken – als uitgangspunt neemt.
Dus wanneer de NLV ingrijpende regels als een dekbeperking wil invoeren, zal de NLV een serieus en allesomvattend onderzoek dienen te verrichten naar de gezondheid en de verwantschap van de afgebakende populatie van labradors zoals die binnen de NLV zijn gefokt. Wil je zorgvuldig te werk gaan, dan dien je je bij het invoeren van regels het volgende af te vragen:
1. In welke subpopulatie is er sprake van dusdanige problemen dat aanvullende regelgeving noodzakelijk is?
2. Op welke subpopulatie zijn de regels van toepassing?
3. Kunnen wij die regels implementeren?
4. Zorgen die regels ervoor dat bovengenoemde problemen op termijn tot het verleden behoren?
Om antwoord te kunnen geven op die vragen dien je dus onderzoek te verrichten naar de problemen in de afgebakende subpopulatie. Immers, wanneer weggebruikers structureel de maximum snelheid van 130 km per uur overschrijden, heeft het geen zin om wielrijders te verplichten een snelheidsbeperkend mechanisme op hun fiets te monteren.
Het feitelijk onderzoek
Binnen de database van de Raad van Beheer kan eenvoudig een schifting worden aangebracht tussen de labradors die wél en de labradors die niet zijn gefokt binnen de rasverenigingen, namelijk door alle labradors waarvoor bij de aanvraag van stambomen een “bijdrage niet-lid rasvereniging” is betaald van het onderzoek uit te sluiten, dan wel als schaduwpopulatie te gebruiken.
De resterende subpopulatie is het doel van het onderzoek. Wanneer men echt zorgvuldig te werk wil gaan betrekt men bij deze subpopulatie ook de honden die wel volgens de regels van de rasverenigingen zijn gefokt, maar waarvan de eigenaren geen lid van een rasvereniging zijn. Dit is te controleren door middel van de uitslagen van gezondheidsonderzoeken.
Nu de onderzoekspopulatie is bepaald, kan het feitelijke onderzoek beginnen. Om antwoord te geven op de vraag of er sprake is van de noodzaak om tot een dekbeperking over te gaan, dient eerst de inteeltcoëfficiënt (verwantschapscoëfficiënt) te worden vastgesteld. Is die coëfficiënt hoger dan in het verleden? Is die coëfficiënt aantoonbaar in verband te brengen met verschijnselen als inteeltdepressie en algemene gezondheidsproblemen?
Om het onderzoek volledig te maken kan dezelfde onderzoeksmethode worden gebruikt bij de subpopulatie die niet is gefokt volgens de regels van de rasverenigingen, ten einde de onderzoeksresultaten van beide subpopulaties met elkaar te kunnen vergelijken. Last but not least dient er zorgvuldig onderzoek te worden verricht naar de gevolgen van een dekbeperking, met name op langere termijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat eigenaren van fokteven vrij zijn om de dekreu van hun keuze te gebruiken, en dat zij niet snel geneigd zullen zijn om de reu van de buurman te gebruiken omdat de NLV dat zo graag wil, maar ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat zij met hun pups zullen blijven zitten wanneer zij dat doen.
De gevolgen van een dekbeperking bij reuen
We kennen een verschijnsel dat door mij “de economie van de hobby” wordt genoemd. Het principe van deze economie is dat de hobbyist iets produceert en dat de hij met de opbrengst van deze productie gedeeltelijk zijn hobby bekostigt. In relatie tot de hobbyfokkerij van labradors in Nederland kunnen wij gerust stellen dat de mensen die zich op deze manier met hun hobby bezighouden ervoor verantwoordelijk zijn dat het niveau en de kwaliteit van de Nederlandse labradors zo hoog is.
De economie van de hobby wijkt in principe niet af van de cirkel van andere economieën. Je investeert, je laat je product zien, je produceert, en met de opbrengst investeer je weer.
De Nederlandse kynologie is in de loop der jaren uitgegroeid tot een “big business”, die met name de Raad van Beheer en de kynologische verenigingen geen windeieren heeft gelegd. Het bezoeken van shows kost veel geld, net als de stamboomcertificaten, het chippen en de gezondheidsonderzoeken. Deze kosten worden weerspiegeld in de prijs van een pup. De economie van de hobby is derhalve een volkomen geaccepteerd verschijnsel geworden.
Wil je je als serieuze hobbyfokker onderscheiden van de middenmoot, wil je de kwaliteit van de labradors in Nederland verbeteren, wil je de genenpool van de labradorpopulatie in Nederland verbreden, dan dien je over superieur fokmateriaal te beschikken, en dien je dat superieur fokmateriaal nationaal en internationaal te showen. En daar hangt een kostenplaatje aan.
Wij willen graag dat mensen uitermate zorgvuldig zijn bij de aanschaf van een rashond. Daar wijzen wij telkens weer op en het gevolg daarvan is dat potientiële kopers van een labradorpup steeds selectiever worden bij de aanschaf van zo’n pup. Ondanks het feit dat 99% van de pups uit de fokkerij verdwijnen omdat zij slechts als huishond worden gehouden, willen mensen in toenemende mate een pup van kampioensafstamming. We hebben hier te maken met het economische verschijnsel “vraag en aanbod”; niet onbelangrijk voor de economie van de hobby.
Nu is het nog zo dat het voor een topfokker interessant is om een topreu uit het buitenland te halen. De topreu dekt een aantal teven, waarvoor de dekreu-eigenaar een bepaald bedrag krijgt, de teven krijgen pups, de pups worden verkocht (met 99% van de pups wordt vervolgens niet gefokt), en iedereen is er gelukkig mee.
Maar met een dekbeperking is de aanschaf van superieur fokmateriaal niet langer rendabel, tenzij de prijs van een dekking (en daarmee de prijs van een pup) gigantisch wordt verhoogd. En daarmee komen we bij het economische begrip “risico”. Een drastische verhoging van de prijs van een dekking en de prijs van een superieure pup verstoort de balans tussen vraag en aanbod. De vraag zal verminderen of verdwijnen, en daarmee – op lange of kortere termijn – het aanbod. We hoeven er geen twijfel over te laten bestaan dat dit verschijnsel tot gevolg heeft dat de kwaliteit van de Nederlandse labradorpups die worden aangeboden door de serieuze hobbyfokkers die lid zijn van de labradorverenigingen aanzienlijk zal verminderen. Bovendien zal een toenemend aantal serieuze hobbyfokkers, die zoveel voor de Nederlandse labradorpopulatie hebben betekend, de lier aan de wilgen hangen ten gevolge van de bovenmatige inmenging en de bevoogding van de labradorverenigingen in hun hobby. Een ander gevolg zal zijn dat bepaalde fokkers zich aan het zicht van de labradorverenigingen zullen onttrekken om buiten de invloedsfeer van deze verenigingen (en wellicht binnen de invloedsfeer van de Raad van Beheer) door te gaan met fokken.
Om een lang verhaal kort te maken: de regeldrang van de labradorverenigingen zal op korte en langere termijn NIET tot gevolg hebben dat genenpool van de Nederlandse labradorpopulatie wordt verbreed (er komt immers geen superieur materiaal uit binnen- en buitenland meer binnen), en deze regeldrang zal WEL tot gevolg hebben dat de kwaliteit van de Nederlandse labradorpopulatie er sterk op achteruit gaat. Bovendien ontstaat er een extra probleem voor de rasverenigingen, want hoe lang kunnen zij in dat geval nog waar maken dat de pups van hun leden kwalitatief beter zijn dan de pups van de serieuze hobbyfokker die zich buiten de vereniging om aan alle regels houdt, behalve aan de regel van de dekbeperking, dus nog steeds in staat is om superieur fokmateriaal aan te schaffen en superieur nageslacht te produceren, in tegenstelling tot zijn collega’s in de bevoogdende rasvereniging?
Het meest belangrijke argument tegen dekbeperking is echter de diversiteit van de genenpool. Zonder een dekbeperking kunnen eigenaren van fokteven, ook zij die slechts eenmalig een nestje fokken, gebruik maken van hooggekwalificeerde geïmporteerde dekreuen die zich (qua gezondheid en uiterlijk van hun nageslacht) hebben bewezen. Bij het importeren van dekreuen snijdt het mes aan twee kanten: enerzijds zijn zij niet meer in staat om in het land van herkomst voor nageslacht te zorgen, hetgeen de diversiteit van de genenpool in het land van herkomst positief beïnvloedt, anderzijds wordt de diversiteit van de genenpool in het importerende land positief beïnvloed vanwege de geringe verwantschap met de lokale labradorpopulatie. Wanneer een dekbeperking de eigenaren van fokteven beperkt in hun mogelijkheden om gebruik te maken van deze geïmporteerde dekreuen, blijven zij aangewezen op de lokale labradorpopulatie, hetgeen de diversiteit van de lokale populatie in negatieve zin beïnvloedt. Zo’n dekbeperking zal ook leiden tot vermindering van de import van buitenlandse dekreuen.
Jaap van der Wijk,
januari 2012


















































