In de Labrador Post van oktober 2011 (jaargang 47, nummer 5) vinden wij op pagina 62 het artikel “De inteeltcoëfficiënt verder uitgelicht” van dr. Paul de Vos. Het artikel past in de serie Stemmingmakerij van de NLV om de leden warm te maken voor een besluit om tot een dekbeperking van reuen te komen. Eerder verschenen in de serie Stemmingmakerij van de NLV: een bijeenkomst waarin twee onderwerpen werden behandeld: inteelt en dekbeperking, in die volgorde, om de negatieve sentimenten ten gevolge van het eerste onderwerp te laten doorwerken in de meningvorming over het tweede onderwerp.
In de Nederlandse Labrador populatie zoals die wordt geproduceerd door fokkers die zijn aangesloten bij de Nederlandse labradorverenigingen, dan wel door de fokkers die de richtlijnen van die verenigingen onderschrijven, is sprake van zeer minimale inteelt en dus zou men het aantal dekkingen per dekreu in dit ras behoorlijk kunnen vergroten zonder bang te hoeven zijn voor te veel inteelt. Uiteraard bestaat er niet zoiets als een “gemiddeld fokprogramma”, maar het niveau van inteelt blijft desondanks minimaal. (Lees het artikel van dr. Malcolm B. Willis.) De aandacht die de NLV aan dit onderwerp blijft besteden is derhalve volkomen ongegrond en lijkt zich te ontwikkelen tot een heksenjacht.
Alles waarin het woord “inteelt” voorkomt is momenteel een “hot item” van de NLV. Maar wanneer wij even naar bovenstaand voorbeeld van inteeltcoëfficiënt kijken, is daar geen sprake van inteelt, maar van lijnenteelt. Het hoogste “inteelt”coëfficiënt in dit voorbeeld van 10 generaties is 2,05%, hetgeen uitermate laag is, en waarschijnlijk een goed gemiddelde van alle Labradors die door de leden van de Nederlandse labradorverenigingen worden gefokt.
Inteelt wordt vaak verward met incest, en incest is uitermate verwerpelijk. Mede daarom lijkt de Raad van Beheer te hebben besloten bepaalde vormen van inteelt met ingang van 1 juli 2010 te verbieden. Het gaat om de volgende combinaties:
a. Ouder/kind combinatie (combinatie P generatie/F1 generatie)
b. Broer/zus combinatie (combinatie F generatie)
c. Grootouder/kleinkind combinatie (combinatie P generatie/F2 generatie)
In Toepoel’s Hondenencyclopedie, vierde druk, volledig herzien door Martin van de Weijer en voorwoord van o.a. Prof. Dr. W.K. Hirschfeld, lezen wij onder “Erfelijkheidsleer” het volgende over inteelt: “Bij de dieren en ook bij landbouwgewassen werd en wordt het in de fokkerij veelvuldig toegepast ter verbetering van allerlei rassen. (…) Bij de dieren is het een bruikbare methode om zeer snel allerlei gebreken op te sporen en te elimineren, en tevens om goede, gewenste eigenschappen vast te leggen in fokzuivere (homozygote) toestand. (…) Wanneer men van plan is een inteeltstam te gaan opbouwen, moet men in de eerste plaats over het allerbeste fokmateriaal beschikken dat er te vinden is, en verder over een enorme portie geduld, en onuitputtelijke geldbuidel en veel geluk.”
Het zal duidelijk zijn dat inteelt geen methode voor beginners is, en dat de verantwoordelijkheid groot is. Maar voor fokkers die weten wat ze doen is het een mogelijkheid waar men wel of niet gebruik van kan maken. Tot 1 juli 2010 hadden zij die keus, maar daarna niet meer. Dat was een beperking van de vrijheid die fokkers hebben, een typisch staaltje van bevoogding. Maar niet getreurd, de methode werd toch al weinig tot nooit meer toegepast. Door alle negativiteit die gepaard gaat met inteelt en lijnenteelt hebben veel Labrador fokkers hun toevlucht genomen tot de zogenaamde “outcross”, die veilig lijkt omdat er geen enkele sprake van “inteelt” of lijnenteelt is, maar desalniettemin lang niet ongevaarlijk is. Lees mijn artikel over dit onderwerp. Outcross leidt er namelijk regelmatig toe dat negatieve eigenschappen, die tot dusver slechts waren beperkt tot enkele bloedlijnen, over een heel ras worden verspreid. Willekeurig outcrossen is net zo funest voor een ras als inteelt waarover slecht is nagedacht.
In bovengenoemd artikel van de Labrador Post wordt het begrip “inteeltcoëfficiënt” op drie pagina’s uitgelegd door dr. Paul de Vos, waarbij hij in zijn voorbeelden percentages noemt van 10% en 30-40%. Dergelijke belachelijk hoge percentages komen in de Nederlandse labradorpopulatie niet voor, althans niet bij het deel van die populatie dat wordt gefokt door serieuze hobbyfokkers. (Ik laat de broodfokkers en fokkers van stamboomloze honden hier buiten beschouwing.)
Sinds mei 2006 biedt LabradorNet (1200 bezoekers per dag sinds 1996) de mogelijkheid om tegen een kleine vergoeding het inteeltcoëfficiënt van Labradors te berekenen. In meer dan vijf jaar tijd heeft niemand in Nederland gebruik gemaakt van deze dienstverlening. Ook hieruit blijkt dat de noodzaak van – of behoefte aan - de berekening van het inteeltcoëfficiënt van Nederlandse Labradors uitermate klein is. Eigenlijk is dat heel logisch, gezien de brede genenpool en de enorm lage gemiddelden van I.C. in de Nederlandse labradorpopulatie.
Men kan inteelt niet eenvoudigweg definiëren als de voortplanting van aan elkaar verwante individuen. De correcte definitie is: de voortplanting van individuen die meer aan elkaar zijn verwant dan het gemiddelde van de populatie waaruit zij voortkomen. Dit betekent dat een correcte definitie van inteelt van ras tot ras en van land tot land kan verschillen. Op basis daarvan kan echter wel een absolute waarde worden vastgesteld. (Lees het artikel van dr. Malcolm B. Willis.) En zoals gezegd: daar hoeven wij ons in Nederland geen zorgen om te maken.
Nu wij hebben kunnen vaststellen dat het nut van een artikel over inteeltcoëfficiënt in de Labrador Post (verspreid onder de 5900 leden van de NLV) nihil is, wil ik tot slot nog even ingaan op de negatieve effecten van dit artikel.
- Er wordt – zeker bij niet-ingewijden, en dat zijn de meerderheid van de NLV-leden - ten onrechte de indruk gewekt dat inteelt in de Nederlandse labradorpopulatie een probleem is. Dat is pure stemmingmakerij die slechts ten doel heeft om de meerderheid van de leden te bewegen te laten stemmen vóór een dekbeperking van reuen.
- De lezer wordt geadviseerd om bij aanschaf van een Labrador pup “gericht te vragen naar de inteeltcoëfficiënt”. Dit betekent dat de fokker de inteeltcoëfficiënt van een nest moet gaan berekenen, dan wel dit laten doen. Naast de omslachtigheid van dit alles zullen naar aanleiding van het artikel in de Labrador Post de volgende (volstrekt zinloze) gesprekken tussen fokker en pupkopers gaan plaatsvinden:
- “Was is het inteelcoëfficiënt van de pups?”
- “Dat kan ik u precies vertellen: Kupros Master Mariner 2,05078%, Rocheby Royal Oak 0,48828%, Poolstead Pretentious at Rocheby 0,3418%, Sandylands Mark 0,23174%, Charway Ballywillwill 0,12817%, Ballyduff Marketeer 0,05493%, Sandylands Tandy 0,04368%, Squire of Ballyduff 0,03052%, Poolstead Problem 0,0248%, Receiver of Cranspire 0,02441%, Follytower Merrybrook Black Stormer 0,02251% en Sandylands Tan 0,01984%.”
- “Dat zegt me helemaal niets.”
- “Daar was ik al bang voor. Het zijn namen van heel beroemde Labradors, stuk voor stuk kampioenen.”
- “Okay, maar die percentages? Zijn die hoog of laag?”
- “Staat dat niet in het artikel in de Labrador Post? Die percentages zijn heel laag.”
- “Nou, het zegt me nog steeds niets. U kunt wel van alles zeggen. We denken er nog over na.”
NLV, ik ben bang dat veel leden die wel eens een nestje Labradors fokken u deze “adviezen” niet in dank zullen afnemen.
















































